De 20-jarige zoekt – overactief en met felheid – zijn weg tussen godsdienst en nihilisme, leeft zich uit in jongerenorganisaties, ontdekt de wereld van literatuur en film, en ondergaat de spanning van de Koude Oorlog.
Zonder opsmuk wordt stap voor stap beschreven hoe uit ontmoetingen verliefdheden en liefdes groeien, met alle onzekerheid die daarbij optreedt. De werkelijkheid van toen is, zonder verfraaiing achteraf, vastgelegd.
- Lees het woord vooraf
- Het jaar 1950
- Foto’s
- Bestel BOEKtwee 1949-1953
Woord vooraf
In welke richting gaat BOEKtwee, zullen de lezers van BOEKeen zich afvragen. Het blijft vooralsnog een verrassing. Volg Alice in Wonderland:
“Would you tell me, please, which way I ought to go from here?”
“That depends a good deal on where you want to go,” said the Cat.
“I don’t much care where –” said Alice.
“Then it doesn’t matter which way you go,” said the Cat.
“- so long as I get somewhere.” Alice added as an explanation.
“Oh, you’re sure to do that,” said the Cat, “if you only walk long enough.”
BOEKeen geeft de kroniek van de eerste 20 jaren van mijn leven in Overschie en Rotterdam. Het beschrijft o.m. mijn afkomst, mijn vele hobbies (waaronder luchtvaart en filatelie), mijn leven in oorlogstijd, mijn eerste grote “liefde”, mijn activiteiten in de socialistische jongerenorganisatie. Mijn schooljaren, mijn werk bij Internatio Rotterdam en mijn avondstudie komen alleen in de marge aan bod als symbolen van strijd en vooruitgang. In BOEKeen nam ik een uitspraak over de Duitse duikbommenwerpers (Junkers Ju-87) boven Kreta op, ik kwam onlangs de bron tegen: The Water Maze, van B. Ferguson: ‘A propos of dive bombing over Crete: like all things German it is very efficient and goes on too long’. Engelse sick humour. It goes on too long: Ik hoop, dat dit niet voor BOEK geldt…
In BOEKeen heb ik op enkele plaatsen fragmenten van Speenhoff-liedjes vermeld. Om hem iets meer recht te doen volgt hier de volledige tekst van “t Broekie van Jantje:
Er was eens een haveloos ventje,
Die vroeg aan z’n moeder ’n broek.
Maar moeder verdiende geen centje,
en vader was wekenlang zoek.
Ach , moedertje, geef me geen standje;
Er zit in m’n broekie ’n scheur!
De jongens op school roepen: ‘Jantje,
Jouw billen die zien we d’r deur!
De moeder werd ziek van de zorgen,
Lag stil en bedrukt in een hoek.
Geen mensch die haar centen wou borgen
En Jantje vroeg toch om z’n broek.
Toen heeft ze haar rok uitgetrokken,
de eenigste die ze bezat.
En ze maakte van stukken en brokken
Een broek voor haar eenigsten schat.
Nou konden ze Jantje niet plagen,
Nou waren zijn billen niet bloot.
Maar voor hij zijn broekie kon dragen,
Ging moeder van narigheid dood.
Ze stierf van ’t sjouwen en slaven,
Vervloekt en verwenscht door haar man.
Toen Jantje haar meê ging begraven,
Toen had ie zijn broekie pas an.
[uit: De beste gedichten van J.H. Speenhoff, met een inleiding van Willem Wilmink, 1980].
BOEKtwee: In de vijftiger jaren verandert veel, al was het maar dat ik voor het eerst de grens over ga. Ik word man. Ik ga niet meer, zoals in 1938/’39, aan de hand van mijn moeder een paar keer per maand op zaterdag naar de prachtige Bijenkorf van Dudok, waar ik als beloning een vliegtuigansicht van 5 cent mag uitzoeken.
Op deze plaats wil ik voorts graag aandacht schenken aan een mooi voorbeeld van ‘Lateral Thinking’ van de Bono:
Een woekeraar in de M.E. leent geld aan iemand met een knappe dochter; maar de schuldenaar kan niet terug betalen. De woekeraar, op het kiezelpad voor zijn woning, zegt ‘Ik doe twee stenen in deze zak, jij trekt er één, is die zwart, dan hoef je niet terug te betalen, jouw dochter trouwt met mij. Is die wit, dan hoef je ook niet terug te betalen, jouw dochter trouwt niet met mij. Doe je het niet, dan ga je in de gevangenis wegens wanbetaling’. Hij raapt twee stenen op en doet ze in de zak. De dochter ziet dat ze beide zwart zijn. Wat te doen? Eisen dat de woekeraar laat zien wat in de zak zit? Niet trekken en het gevang ingaan? Zwart trekken? De dochter trekt een steen, en laat deze vallen op het kiezelpad: ‘Gut wat ben ik onhandig!’, en dan: ‘Laten we in de zak kijken wat er nog in zit: dat geeft de kleur aan die ik niet heb getrokken!’.
Ik ben dankbaar voor de als regel verrassende reacties die ik mocht ontvangen van lezers van BOEKeen. Naast lof kwamen vragen over het ontbreken van een evaluatie, een nabeschouwing. Ben ik niet langs belangrijke dingen heengegleden, heb ik niet teveel mijn gevoelens voor me gehouden? Hoe was mijn beleving van WOII, hoe ervoer ik de scheiding van mijn ouders, hoe was de relatie met mijn zuster?
Als verklaring herinner ik aan mijn voorkeur voor het destijds geschrevene, voor het document: Over de verhouding tot mijn ouders en mijn zuster heb ik niet geschreven. Mijn moeder sprak niet over de nare dingen in haar leven, en ik vroeg er niet naar. Ik vrees voor vertekening als ik teveel op mijn – gebrekkige – geheugen afga. Het is wel interessant dat daar steeds meer van terugkomt: Ik zat, met mijn vader, tijdens WOII bijna avond aan avond, zo leek het, nieuwsberichten te spellen en deze te vertalen naar frontlijncorrecties op allerlei landkaarten. Toen onze radio moest worden ingeleverd viel de overigens hevig gestoorde BBC af en bleven als bronnen de gecensureerde pers en enkele illegale krantjes over, krantjes die ik daarna bracht naar de volgende lezer, onze groenteboer. Of moest vernietigen van mijn vader, hetgeen ik in enkele gevallen niet deed: verstoppen, en bewaren. Ja, Wim & bewaren.
Mijn vader maakte zich zorgen over mijn constitutie en maakte mij juniorlid van gymnastiekvereniging De Maas. Ik kan niets berichten over mijn ongetwijfeld zeer matige prestaties, maar herinner mij des te meer het dramatische voorspel: Als gympakje werd o.m. een wit hemd (T-shirt heet zoiets vandaag) gekocht, door mijn moeder nog snel gewassen en voor de kachel te drogen gehangen. Te dicht erbij: het verschroeide tot een fraai lichtbruin. Er moest ijlings met nu nog schaarsere textielpunten een nieuw hemd worden gekocht. Mijn onwillige gymnastiektraining had niet onder een slechter gesternte kunnen beginnen.
Die kachel: ja, dezelfde met de platte buis, waarop in de winter van 1944 crocus- en tulpenbollen werden gepoft: de crocusbollen waren redelijk te eten, maar de tulpen waren te bitter: of was het net omgekeerd? Mosselen: eenmaal kwam er een partij in huis, ik moest helpen schoonmaken, en werd kotsmisselijk. Het bepaalt nog steeds mijn afkeer van “frutta di mare”, ofwel de voor velen zeer smakelijke zeegedierten. Neen, dan hielp ik liever met het snijden en koken van suikerbieten, dat leverde na een ellenlang kookproces tenminste nog een bruinige stroop op.
“Lerne zu willen, und du wirst frei sein”. (Turgenjev, Erste Liebe).
